dinsdag 4 december 2012

het blad Okido / Okidoki

Op mijn kalender staat dat op 4 december 1948 het eerste nummer van Okidoki verscheen. Over de geschiedenis is weinig bekend (wie het weet moet het maar zeggen). Ik herhaal hieronder een (we)blog aangevuld met nieuwe plaatjes.



Ik heb hier wat nummers van het blad Okido. Dat blad verscheen in een Belgische en een Nederlandse uitvoering. De Belgische werd uitgegeven door Helicon Uitgevers uit Antwerpen en verscheen wekelijks.

 

De Nederlandse editie werd uitgegeven door Stichting Belado (later door de N.V. Uitgeversmij Neerlandia) en verscheen eerst om de vier weken en daarna wekelijks, daarna 2 X per maand vervolgens 3 X en dan toch maar weer wekelijks. Dit zal vast met de papierschaarste te maken hebben gehad. Dit geschreven hebbend valt me op dat het heel erg onlogisch klinkt.....



In het blad stonden strips van Engelse oorsprong (o.a. The Amalgamated Press). Dat waren de realistisch getekende Goud eiland en Sexton Blake en het Atoom-Ei. Verder de Komische strips Okidokus, Okidoki-Teekenfilm stripje, Toon en Tinus de Vrolijke Vagebonden en een titel-loze strip (oorspronkelijk uit de Saterday evening post). Verder veel verhalen en cartoons (met of zonder woorden). De omslagen werden een poosje getekend door Pax Steen.


 In Okidoki stond 1n 1951 Jacovitti's strip De belevenissen van een Koe en vanaf 1948; De avonturen van Job Jubel; Een verrassende strip getekend door studio Scherp. Een studio waar ik verder nooit meer iets over gelezen heb...... Ook Ben Abas heeft voor Okidoki een strip gemaakt...

 

De strips stonden in Okido.
Oorspronkelijke plaatste ik de blog op 4 december 2004
In 2007 kreeg ik een mail van Ton Lensen, Oud redacteur van het blad. Ik plaats nu (19-11-2015) hier een deel van het verhaal dat Lensen me voor publicatie toezond:

OKIDO/PARADE

door Ton Lenssen

Een van de mooiste en gelukkigste perioden van mijn leven was het jaar 1956. In dat jaar was het zo ver: ik kon vertrekken.
Mijn vader en ik bezochten derhalve de arbeidsbureaus van enkele universiteitssteden om het werk te zoeken. Na Nijmegen kwamen we in Utrecht. Ik was toen alleen, mijn vader had ik weten af te schudden. Op de eerste kaart die uit het kaartsysteem kwam werd een redacteur gezocht voor een gezellig familieblad, "Okido" geheten. (Volgens mijn herinnering werd ik ontvangen door de directeur van het Arbeidsbureau, die die kaartenbak naast of zelfs op zijn bureau had staan. Er was kennelijk niet veel werk. Maar misschien bedriegt ook hier mijn geheugen mij.) Ik hoefde niet verder te kijken. Dit was precies wat ik zocht. Dat er stond "bureauredacteur" begreep ik niet alleen niet, maar het interesseerde mij ook niet, er stond in ieder geval "redacteur" en redacteur wilde ik zijn, redacteur en anders niet. (Alle redacteuren zwerven immers ook.) Om precies te zijn, ik wilde eigenlijk schrijver zijn, schrijver en anders niet. Maar om te kunnen schrijven moest je iets hebben meegemaakt en om dingen mee te maken moest je ergens komen en dat deed je weer al zwervende. En verder wist iedereen, zoals mijn vader, die natuurlijk geen grote schrijvers las, mij onder ogen had gebracht dat er met schrijven in Nederland geen droog brood te verdienen was. Nu hoefde dat voorlopig voor mij ook nog niet, dat kon wachten tot mijn ontdekking en de erkenning na mijn dood, maar ik had er toch wel iets van opgestoken en begrepen dat ik toch iets moest hebben. En zo'n redacteurschap, dat was het. Misschien was dat ook wel zo, maar dat het mij dus nu eigenlijk meer om het verwerven van arbeidsomstandigheden ging dan om de arbeid zelf, doorzag ik nog niet, zoals blijkt uit de onderhandelingen met mijn aanstaande werkgever.


Ik spoedde mij daar onmiddellijk heen. Het ging om een gevestigde katholieke uitgeverij aan de Kromme Nieuwe Gracht, Neerlandia N.V. Het gebouw waar zij was ondergebracht, was een groot zeven- of achttiende eeuws geval dat naar achteren toe, in de negentiende of misschien zelfs de twintigste eeuw, was uitgebreid met een gebouw van één verdieping waarin de drukkerij was gevestigd. De kamers aan de achterkant van het hoofdgebouw, althans die op de begane grond, waren daardoor ingebouwd, tamelijk donker en besloten, gezellig dus. Het hoofdgebouw betrad men door de brede deur aan de voorkant die altijd open stond, waarna men in een marmeren gang kwam waarop aan beide zijden deuren uitkwamen. Rechts waren ook enkele loketten en de administratie, links was een wachtkamertje of zo. In de gang stond een eiken bank voor wachtenden. (Er waren nooit wachtenden vóór u.) Aan het einde van de gang ging men naar rechts en kon dan dwars door een kamer heenlopen naar een daarachter gelegen vertrek. In dat laatste zat de redactie waar ik later heb gewerkt. In het eerdere vertrek werd ik, toen ik er voor de eerste keer kwam, ontvangen aan een midden in het vertrek staande tafel waar je omheen moest lopen als je het vertrek door wilde. Boven die tafel hing een lamp of was een lichtkoepel, in ieder geval was daar licht, terwijl de vier uithoeken van het vertrek in duisternis waren gehuld. Eerst kwam er een grote imponerende man met een donderende stem binnen die zei dat wij nog even moesten wachten op mevr. Zusenzo die weliswaar niet redactrice van Okido was en er dus eigenlijk niets mee te maken had, maar die hij, de directeur, er toch graag bij had. De directeur was een man van een jaar of vijfendertig, maar dat kon ik toen niet begrijpen, hij was voor mij gewoon volwassen. Mevr. Zusenzo was een oudere mevrouw, een Indische mevrouw met blauwig wit haar en een donkere teint. Zij was uiterst modieus gekleed en alles aan haar, tot en met haar gedrag, was verzorgd. De directeur niet, dat was een jongensachtig type, wel een kop groter dan ik, maar bij voorbeeld niet gekleed in kostuum, doch in een combinatie. Aanvankelijk zaten de directeur en mevr. Zusenzo naast elkaar tegenover mij, maar nadat er koffie was gebracht was mevr. Zusenzo wel zo kies om aan de kant van de tafel plaats te nemen. Het stelde mij niet echt méér op mijn gemak. Ik zei dat ik onmiddellijk kon beginnen en dat ik genoegen zou nemen met een salaris van f. 100,- per maand, bruto. Wij werden het daar niet over eens en zij stelden voor dat ik de baan zou aannemen voor f. 150,- per maand, bruto. Het kon mij niet schelen. Alles was best, zelfs een hoger salaris, als ik de baan maar kreeg. Mevr. Zusenzo wist ook een kamer waar ik voor niet al te veel geld onmiddellijk in kon, zij het voorlopig, want ik moest wel uitzien naar een behoorlijke kamer. Ook wat dat betreft wist zij wel iets, maar dat was nog niet beschikbaar. Ook dat vond ik best, gewend als ik was dat de dingen voor mij werden gedaan.
Binnen tien dagen was ik aan de slag. Ik zat met mevr. Zusenzo op de kamer van de redactie. Er zat nog een meisje van mijn leeftijd, ook een gymnasiaste, maar voor halve dagen of zo, die kon dus genegeerd worden. Het redactievertrek was ongeveer zes bij zes en onze bureaus stonden diagonaal tegenover elkaar. Met één deur kwam men uit het hiervoor omschreven ontvangvertrek, met een andere kwam men boven aan een trapje dat naar de zetterij leidde. (Boven aan dat trapje kon men als baas neerzien op de zetters als die staakten, dacht ik, al weet ik niet waarom, want men kon er uiteraard even goed op neerzien als zij werkten wat doorgaans het geval was. Er heeft zich echter een keer een staking voorgedaan en toen verscheen ik - in mijn schrikwekkendheid - boven aan het trapje en wist de staking te breken.) Vanaf het begin was mij duidelijk dat ik mij van mevr. Zusenzo zoveel mogelijk moest distanciëren. Deze mevrouw kon er eenvoudig niks van weten en verder had de directeur mij ook al meteen in vertrouwen genomen, en toen zonder dat zij erbij was. Heeft hij toen ook zo iets tegen mij gezegd? Ik weet het niet meer, maar er groeide wel degelijk een verstandhouding waarin mevr. Zusenzo niet betrokken was. Zij was redactrice van een modeblad, bezocht modeshows en schreef daarover reportages. Verder publiceerde zij raderpatronen die de lezers ook konden kopen zodat haar afdeling eigenlijk een postorderbedrijf was. Zo zag zij het althans niet, dacht ik, want zij deed altijd erg gedistingeerd. Haar man was een bekend arts of architect en zij verkeerden dus in de kringen. De directeur wilde ook wel tot de kringen behoren, geloof ik, en wilde haar dus niet afstoten.




De directeur wilde echter voor alles "Okido" moderniseren, er een blad met reportages van maken en daarvoor had hij mij nodig. Mevr. Zusenzo vond eigenlijk dat het bij het oude moest blijven, dat had succes genoeg. De directeur vertelde mij al vrij snel dat zijn ideaal van een goed weekblad "Time" was. "Okido" leek daar in de verste verte niet op. Het was een blad met een feuilleton, een kort verhaal, een sterrenpagina, een correspondentierubriek, een reportage over iets dat niet al te actueel was, maar ook niet uit het Stenen Tijdperk, meest een nieuwe uitvinding dus. Het had een productietijd van drie weken, wat ook zijn actualiteit bepaalde. Iets dat korter geleden was, kon er niet meer in. Ik had natuurlijk alle lust om te  moderniseren. Ik dacht dat er zich een unieke kans voordeed om mijn eigen ideeën te verwezenlijken. Hoe ik kon denken dat ik die had, weet ik niet. Ik had met dit soort business nog nooit te maken gehad. Wij begonnen met een nieuw omslag, in vier kleuren en op glanzend papier. Tot nog toe was het blad, ook het omslag, gedrukt op grof krantenpapier en er konden alleen lijntekeningen op worden verwerkt, geen foto's. Dat veranderde dus allemaal in één slag. De naam lieten wij nog enkele maanden zoals hij was. De tweede stap was de actualisering. Wij begonnen met onze productietijd in te korten en ten slotte konden wij reportages geven van gebeurtenissen die zelfs nog diezelfde week hadden plaatsgevonden. Die onderdelen waarvoor dat nodig was, konden wij produceren in drie dagen. Voor het grootste deel hadden wij dat bereikt, doordat ik zulke goeie maatjes met de mensen in de drukkerij was, met de zetters en de stiep- en clichémakers. Die leefden enorm mee met mijn enthousiasme, hoewel het heel nuchtere Utrechters waren die het allemaal wel geloofden maar mij wel een plezier wilden doen, zo dacht ik. Wij actualiseerden niet alleen, wij bezuinigden ook. Het blad draaide met verlies toen ik er kwam. (Het werd trouwens opgeheven, vlak nadat ik weg ben gegaan.) De eerste taak die ik kreeg was bezuinigen op de redactiekosten. Dat moest ik bereiken door zoveel mogelijk zelf te schrijven. Dat ging als volgt. Allereerst begon ik zelf korte verhalen te vertalen. Op de immense zolder van het oude gebouw lagen stapels tijdschriften, "Paris Match", "Saturday Evening Post", "Life" e.d., vol met de mooiste korte verhalen die in het Amerika van vóór "Playboy" geschreven werden. Daaruit nam ik vrijelijk over. Ik zocht een poosje naar enkele geschikte dingen, zette mij dan achter de typemachine met een twee- of drietal verhalen, een woordenboek en een kop koffie en vertaalde en lijmde aan elkaar wat ik kon gebruiken. Ik weet niet welke beroemde Amerikaanse schrijvers ik op die wijze met elkaar in ongewild literair kontakt heb gebracht, maar het procédé leverde de besparing van het geld op dat wij normaliter aan oorspronkelijke korte verhalen moesten uitgeven. Hetzelfde deed ik met andere onderdelen van het blad. De sterrenpagina werd geschreven, voor f. 25,- per aflevering, door een wat excentrieke dame, die ik eruit zette, waarna ik zelf de sterrenpagina ging schrijven. Hoewel ik natuurlijk van dit soort zaken niks afwist, wist ik mij ook hieruit aardig te redden. Ik vroeg mensen uit de drukkerij, waar een paar honderd mensen werkzaam waren, naar hun geboortedatum en schreef dan op hun lijf mijn voorspelling, zoveel mogelijk in algemene termen, maar met die concrete persoon voor ogen. Verder was het niet moeilijk de juiste woorden te vinden om dingen te zeggen die niet geverifieerd konden worden noch op iets concreets sloegen, "Ich blieb ganz allgemein". Ook andere dingen ging ik zelf doen.
Een van de mooiste dingen vond ik mijn wekelijkse bezoeken aan Amsterdam. Daar deed ik drie dingen: mij in Amsterdam voelen, voor mij het Mekka van alles in Nederland, tijdschriften uitzoeken en films bezoeken. Ik ging altijd meteen naar Van Gelderen op het Damrak en kocht voor een tientje de laatste nummers van de grote internationale geïllustreerde bladen. Dat alleen al was een heerlijke bezigheid die ik nog steeds niet goed kan laten. Vervolgens ging ik naar een of twee filmverhuurkantoren waar ik persvoorstellingen van de laatste films bezocht. Ik nam altijd enkele foto's mee en wat documentatiemateriaal aan de hand waarvan ik twee bladzijden filmbespreking samenstelde. Ik herinner mij "Piroschka" en "A town like Alice". De bioscoop waar dat meestal in plaatsvond, was naast Van Gelderen in de Kalverstraat en ik geloof dat ik van Amsterdam eigenlijk niet veel meer leerde kennen dan de route van het station naar het Muntplein over het Damrak en de Kalverstraat. Enkele keren heb ik ook de warme buurt achter de Nicolaaskerk bezocht, waarover een andere keer, en er woonde een journalist ergens vier hoog aan de Nieuwe Zijds of aan de Spuistraat. Verder was daar ook een persbureau waar ik wel eens reportages kocht, bv. een over de oprichting door Nasser van de Assoeandam. Uit de door mij gekochte tijdschriften werden mopjes uitgeknipt en overgeclicheerd, werden korte verhalen volgens het al beschreven procédé overgenomen. Een enkele keer maakte ik zelf reportages met foto's, bv. over het oud-Limburgs schuttersfeest, of interviews, o.a. met een toen bekende gitarist in Bilthoven, Jan Sirks, die ook van muizen of ratten hield. In deze activiteiten ging ik zo goed als helemaal op. Ik wist niet alleen niets van het onderscheid tussen een bureauredacteur en een reporter, maar ook niets van dat tussen journalistiek en literatuur. Als ik maar kon schrijven. Eens schreef ik zelfs zelf een kort verhaal, maar daar vond niemand wat aan. Ik begreep toen met een schok dat ik nog erg kinderachtig was en mij dus voorlopig maar moest houden aan het kopiëren van anderen. Ik was nog pas twintig.


Dat ik het onderscheid tussen journalistiek en literatuur niet begreep kostte mij tenslotte de kop. Het was al begonnen met een reportage die ik van iemand had gekocht over de toen net opkomende Lou van Burg. Ik gaf niets om dat soort figuren, sterker, ik minachtte ze. De reportage was van het gewone kaliber, met alles erin over "hoe het allemaal begonnen was" en hoe succesvol de man wel niet was, maar aan het slot zat de interviewer met Lou van Burg tijdens een repetitie in de zaal te kijken naar de repeterende revue-meisjes en liet hij Van Burg zeggen: "Lekkere beentjes heeft die meid, hè." Dát vond ik een typering die ik mijn literaire smaak niet ontzeggen kon en met die eindzin werd de reportage afgedrukt. Er ontstond een rel. Mevr. Zusenzo was woedend. Zei ze op gedistingeerde toon. Ik vond dat onzin en hypokriet. Dat laatste zei ik niet toen ik op de mat werd geroepen. Ik verdedigde het literaire karakter van de typering, maar dat vond zij weer onzin, literatuur hoorde in het blad niet thuis, alleen maar fatsoenlijke reportages. Het nummer lag al in de kiosken en er kon dus niets meer worden veranderd, maar ik was gewaarschuwd. Van de directeur begreep ik niets. Die gaf haar gelijk en bleek dus, als puntje bij paaltje kwam, helemaal niet zo'n avontuurlijke Rausdauer als hij voorgaf te zijn. Ook vond ik dat hij zich lullig gedroeg (hoewel die term toen nog niet werd gebruikt).
Al met al voelde ik mij nogal gebelgd. De nieuwe formule van het blad begon succes te hebben. Oude abonné's zegden op, de kioskverkoop begon aan te trekken. Wij hadden ook de naam van het blad veranderd, het heette nu "Parade". Die naam had de directeur gestolen van een engelstalig blad. Het woord werd in zwart en met schreefloze letter geheel in onderkast afgedrukt tegen een rode achtergrond, waarbij de "p" en de "d" naar beneden en naar boven afliepen, zoals dat heet. Dit rode blokje met zwarte tekst stond links boven op de voorpagina, terwijl de rest van de voorpagina in beslag werd genomen door één grote foto, die de hoofdreportage aankondige. Zie "Paris Match". Ik rekende mij het groeiende succes van het blad toe, te meer daar de directeur bij herhaling zei dat het blad wel zijn lievelingsuitgave was, maar dat ik het toch doen moest, aangezien hij het te druk had. (Van een reporter vernam ik overigens dat hij eens tegen hem had gezegd dat hij mij uit de goot had getrokken, waarvoor ik, meende hij, niet eens dankbaar was. Waar dat op sloeg begreep ik niet, want ik was immers de literator van het gezelschap, hij was alleen maar een handelsman en die mevr. Zusenzo was niks anders dan gedistingeerd.)


Was het geval met de beentjes nog maar een waarschuwing en een aanleiding tot gebelgdheid, het geval met prinses Brigitte van Zweden was het einde. Dat meisje, zo oud als ik, wilde gymnastieklerares worden wat natuurlijk nieuws was. Ik had een reportage in handen gekregen die op de gewone manier bestond uit wat tekst en enkele foto's. We werden het erover eens dat het een hoofdreportage moest worden, d.w.z. foto op het omslag, en al vrij vooraan in het nummer twee bladzijden waarvan de linker geheel en de rechter voor een derde in beslag werd genomen door een grofkorrelige foto en voorts door, over twee kolommen, het begin van de tekst die dan aan het einde van het nummer, met een klein fotootje, ter breedte van een kolom, zou worden beëindigd. De prinses stond op de foto in sporttricot, een pakje dat de benen geheel bloot liet, evenals de armen en de hals; verder was het helemaal gesloten. De cliché-makerij bleek plotseling, buiten mij om, opdracht te hebben broekspijpjes aan het tricot te tekenen, zodat de benen een centimeter of vijf meer bedekt zouden zijn. Een pijploos tricot vond men niet decent. Voordat ik het allemaal goed en wel door had bleek ik er al een casus belli van te hebben gemaakt en bleek ik al te hebben gedreigd met ontslagname als dit doorging. Dit was, vond ik, de test-case waaruit moest blijken hoever ik in de toekomst met onze actualisering en modernisering kon gaan. Het antwoord dat ik kreeg was duidelijk: men zou mij node missen, maar het beleid van hogerhand was onmiskenbaar. Ik vroeg nog diezelfde dag het salaris van nog steeds f. 150,- per maand bruto dat mij op dat moment toekwam, en vertrok.





maandag 3 december 2012

Frank Sels 3/12/1942 - 19/12/1986

Frank Sels begon in 1963 bij Studio Vandersteen. Hij werkte mee aan series als 'De Rode Ridder', 'Karl May' maar vooral 'Bessy'.
Nadat Sels de Studio Vandersteen verliet ging hij de Indianenstrip Zilverpijl maken.

De serie werd in eerste instantie geproduceerd voor Duitsland ('Silberpfeil') maar verscheen in zowat heel Europa.

In 1969 had Frank Sels een kleine studio met een hoge productie. Er werden 42 strippagina's per week gemaakt.

Op 19 december 1986 overleed Frank Sels op 44 jarige leeftijd.

dinsdag 20 november 2012

Deze maand nog volop aandacht voor schilder/tekenaar Ben van Voorn

Deze maand nog volop aandacht voor schilder/tekenaar Ben van Voorn. Robin d'Arcy Shillcock zal op zaterdag 24 november om 15.00 uur een rondleiding verzorgen langs het tentoongestelde werk van Ben van Voorn in Pictura te Groningen. http://www.pictura-groningen.nl/ Verder besteedt Gijsbert van der Wal in het VPRO programma De Avonden op radio 6 aandacht aan de schilder en tekenaar Ben van Voorn op woensdag 21 november tussen 21.00 en 23.00 uur. De VPRO prees deze uitzending in zijn gids aan als Radiotip van de Dag (zie bijgevoegd document) Radio 6 te ontvangen via de Kabel, Digitenne, Satelliet, DAB radio's en via http://radio6.nl/ http://gids.radio6.nl/2012/11/21/ Tenslotte wordt op de laatste dag van de tentoonstelling in Pictura een interessante lezing gehouden door Jan Willem de Vries, werkzaam bij het Stripmuseum, over de strips en tekenfilms waar van Voorn aan meewerkte bij de Toonder studio's en in Parijs bij de Gaumond studio's, waar hij de achtergronden voor twee Asterix films schilderde. Gewapend met de beamer zal de Vries veel van dit werk laten zien. Dit alles op zondag 9 december van 15.00 tot 16.00 uur in de bestuurskamer van Pictura. http://www.pictura-groningen.nl/ In Pictura is het boek over van Voorn te koop. Maar het kan ook via internet besteld worden. Ook voor recensies zie onderstaande link. http://www.glasenboekmidlaren.nl/benvanvoorn.html Tot 21 december is een parallelle tentoonstelling in het gemeentehuis in Vries te bezichtigen tijdens de openingsuren. Daar gaat het vooral om Drentse landschappen en het leven op het erf van de van Voorns te Yde.

zondag 21 oktober 2012

Henk Kabos 21/10/1912 - 28/7/1984

Henk Kabos (vandaag 100 jaar geleden geboren)begon zijn loopbaan bij Joop Geesink (1941). daar werkte hij mee aan de totstandkoming van tekenfilms. Toen Joop Geesink in 1943 samen met Marten Toonder de Geesink-Toonder studio's begon werd Kabos animator van de Tom Poes tekenfilm Tom Poes en de Laarzenreuzen. Daarnaast regiseerde hij in de oorlogsjaren andere reclame tekenfilms. Ook werkte hij korte tijd aan de Tom Poes dagstrip.

Hierboven en hieronder een zeldzame ansichtkaart met een afbeelding uit de Tom Poes film.

Via de Toonderstudio's maakte Kabos de strip Tekko Taks welk oorspronkelijk geplaatst werd in het het Dagblad Trouw.

In 1949 stapte Kabos over naar de inmiddels afgescheiden studio van Joop Geesink. Tekko Taks (die hij inmiddels maakte met James Ringrose) bleef hij tot 1954 leveren aan de Toonderstudio's waarna Swan Features de distributie overnam.



De populaire ondertekststrip Tekko Taks bleef (ook toen er geen nieuwe afleveringen meer werden geproduceerd) tot in de jaren 70 geplaatst worden in tal van bladen in binnen en buitenland. Andere productie's waar Kabos aan meewerkte waren 'Barendje Big', 'Kapitein Brulboei', 'Pukkie Planta', Loeki de Leeuw e.v.a. Kabos overleed op 28 juli 1984 ©Kabos © Toonder compagnie

donderdag 11 oktober 2012

Expositie Ben van Voorn

2012 is Marten Toonder-jaar. Aanleiding om aandacht te besteden aan leven en werk van Ben van Voorn. Van 1948 tot 1955 werkte illustrator, schilder, tekenaar en graficus Ben van Voorn voor de studio van Marten Toonder. Ook na zijn verhuizing naar Yde in 1958, tekende hij tot 1969 nog diverse strips voor deze studio. Voor de Bommel-film ‘Als je begrijpt wat ik bedoel’ maakte hij de achtergronden, en hij werkte aan twee Franse Asterix-films. Van Voorn tekende ook zelf strips, cartoons en boekillustraties. Ben van Voorn werkte met uiteenlopende stijlen en in verschillende materialen en technieken; van uitgewerkte schilderijen, vlot opgezette aquarellen en pentekeningen tot houtsneden en prints. Onderwerpen zijn vooral landschap, stilleven en portret, maar ook sprookjesachtige taferelen. De tentoonstelling wordt geopend op zondag 28 oktober om 15.00 uur door kunstenaar Sam Drukker. Daarna wordt het eerste exemplaar van het boek ‘Notities van een veelzijdig kunstenaar’ door Sim Visser aangeboden aan de familie van Voorn.

Nostalgie en eigenzinnigheid kenmerken het werk van deze illustrator, kunstschilder, tekenaar, ceramist en graficus. Een romantisch verlangen naar de schoonheid van het oude Drentse landschap, naar het mooie in de natuur, naar de vrijheid van de vagebond die kan gaan en staan waar hij maar wil. Van Voorn begon na de Tweede Wereldoorlog voor de Toonder Studio’s te werken als illustrator. Vele jaren maakte hij de achtergronden voor de bekende Bommelstrip. Na 1969 stopte hij daarmee en koos voor zijn eigen vrije werk. Wel gaf hij nog enige jaren les op Academie Minerva in Groningen en de leerlingen die hij daar had denken nog steeds met veel dankbaarheid terug aan zijn lessen. Begin jaren tachtig wist Marten Toonder hem weer te strikken als achtergrondschilder voor de Bommelfilm. Deze prestatie zorgde voor een internationale reputatie in de tekenfilmindustrie, die ertoe leidde dat hij door de Gaumont-studio’s in Parijs gevraagd werd om de achtergronden van twee Asterix-films te tekenen. Daarna stopte hij definitief met het werken voor anderen. Voor Van Voorn was het weergeven van wat hij in de waarneembare werkelijkheid zag het belangrijkste. De natuur, zowel die in zijn directe omgeving als elders in Nederland en daarbuiten, inspireerde hem steeds weer opnieuw. De wisselingen van de seizoenen, het komen en gaan van de vogels in zijn tuin in Yde, het waren voor hem onuitputtelijke bronnen van onderwerpen, waar hij nooit op uitgekeken raakte en die hij in ontelbare schilderijen en vooral aquarellen heeft vastgelegd. Maar ook stillevens en interieurs vormden een belangrijk thema voor hem. Van Voorn had een feilloze beheersing van de techniek en vooral als aquarellist bereikte hij een absoluut meesterschap, dat zelden is geëvenaard. Daarnaast maakte hij, samen met zijn vriend Jan Schroot, ceramiek, vooral wandborden, met daarop speelse mozaxefeken met dieren en planten. Ook heeft hij geëtst en gelithografeerd. Vanaf 1971 was hij lid van het Drents Schildersgenootschap, tevens was hij lid van de Noordelijke Aquarellisten. Op de tentoonstelling, die circa 150 werken omvat, komen alle aspecten uit Van Voorns oeuvre uitgebreid aan bod. De getoonde schilderijen, aquarellen, tekeningen, prenten en wandborden komen uit particuliere verzamelingen uit heel Nederland en uit het Drents Museum, dat in de loop van de jaren een omvangrijke collectie van Van Voorns werk heeft opgebouwd. Van 1 november tot 21 december is er ook een kleine tentoonstelling van werk van Ben van Voorn te zien in het Gemeentehuis van Tynaarlo in Vries. Bij de tentoonstelling verschijnt een rijk gexefllustreerd boek ‘Notities van een veelzijdig kunstenaar’, waarin leven werk van Van Voorn uitgebreid wordt beschreven. Auteurs: Aafke Steenhuis, Robin d’Arcy Shillcock, Sim Visser e n Jan Willem de Vries. Het boek is een uitgave van uitgeverij Ph. Boucher te Midlaren en kost x80 29,50. Het boek is te verkrijgen bij Pictura en via: www.glasenboekmidlaren.nl/benvanvoorn.html ben van voorn 1927–2004 komende ex posities 15 t/m 29 december - Benefiet veiling / 6 januari t/m 17 februari - Hans Boer & Philip Elchers ontwerp peter boersma - www.hehallo.nl tekst klaas koops druk het grafisch huis Bent u in de gelegenheid meer bekendheid te geven aan de expositie dan zijn we u daar zeer erkentelijk voor. Verder is er op 4 november om 15.00 uur een lezing door Sim Visser, oudleerling van van Voorn, over zijn schilderijen en aquarellen. Op 9 december om 15.00 uur is er een lezing door Jan Willem de Vries, medewerker stripmuseum, over de strips en films waar van Voorn aan heeft meegewerkt met geprojecteerd beeldmateriaal. xa9 erven Toonder - erven van Voorn bron: persbericht Kunstlievend Genootschap Pictura

vrijdag 31 augustus 2012

Gerben Valkema's strip Kik nu als stripalbum


Gerben Valkema is bekend als tekenaar van Elsje, de krantenstrip over een meisje dat verbazende uitspraken doet. Naast Elsje verschijnt er al jaren een schitterende strip Kik van Valkema hand (ditmaal ook de teksten) in het populaire kindertijdschrift Maan Roos Vis van de educatieve uitgeverij Zwijsen. De strips zijn swingend en leuk. De strip Kik is eigenlijk gemaakt voor jonge kinderen maar natuurlijk ook leuk voor jong en oud (zoals het hoort). Er zijn onlangs drie albums verschenen bij Plan A Uitgevers. Natuurlijk iedereen snel naar de boekwinkel in de buurt of (als de albums daar niet te vinden zijn) online bestellen bij: cosmox.beBol.com of Bruna


dinsdag 5 juni 2012

Striptekenaar Dick Matena


 

EEN OVERZICHT IN WORDING!! Als iemand een veelzijdige productie op zijn naam heeft staan dan is het wel Dick Matena. Dick Matena begon in 1960 zijn striploopbaan bij de Toonderstudio's. Hij werd aangenomen als leerling maar kon al snel in de productie worden ingezet. Hij werkte mee aan het reclamestripproject voor de drogisterij branche: Het geheim van de Gulden Gaper.




In 1961 werd Matena de schetser van de krantenstrip Panda. Een jaar later mocht hij zich wagen aan de Tom Poes krantenstrip. Na een paar verhalen stopte hij met Tom Poes en hernam het schetswerk voor de Panda strip tot 1968. Tussendoor tekende hij een aantal Grote Boze Wolf verhalen (De Toondestudio's verzorgde tussen 1964 en 1969 de productie van deze strip voor het weekblad Donald Duck).
In 1967 ontwierp hij zijn eigen strip Polletje Pluim. Deze schreef, tekende en kleurde hij zelf. De strip werd 
via de Toonderstudio's geplaatst in het weekblad Prinses.
  
klik op de plaat voor een leesbaar resultaat

In 1968 verliet Matena de Toonderstudio's en ging werken voor het weekblad Pep. Samen met de tekstschrijver Lo Hartog van Banda maakte hij de strips De Argonautjes (1968 - 1973) en Ridder Roodhart (1969 -1971). De strip Grote Pyr (1971 - 1974) schreef en tekende hij zelf. Deze strip werd ook in Pep gepubliceerd. In 1975 begon hij in Eppo, de opvolger van Pep en Sjors, de strip Kleine Pier. Inmiddels was Matena ook teksten gaan schrijven voor verschillende collega's striptekenaars. In zijn Pep periode begon jij ook aan een aantal losse verhalen die hij ondertekende met A. den Dooier. Deze verhalen werden ook in andere bladen geplaatst. In 1986 werden deze verhalen gebundeld in de a. den Dooier omnibus. Tussen 1976 en 1991 maakte Matena weer Disneyverhalen. In 1977 kwam Matena voor de dag met een geheel nieuwe stijl. Virl werd gemaakt voor Mickey Maandblad (waar hij ook tekstverhalen illustreerde). In 1979 en 1980 tekende en schreef Matena de Western strip Dandy voor Eppo. In 1982 vertrekt Matena naar Spanje, daar tekend hij voor het Spaanse agentschap Selecciones Illustradas (Toutain). In 1984 verhuist hij naar Belgie. Daar maakt hij de strips De laatste dagen van Adgar Allan Poe; Gauguin en Van Gogh en Mozard & Casanova. In 1986 ontving Matena de stripschapsprijs. De jaarlijkse prijs van het Stripschap. Voor Arboris tekent en schrijft hij stripboeken als o.a. Sartre en Hemingway, Flynn en Rechter Tie. Voor Uitgeverij Big Balloon gaat Matena kinderboeken als Dik Trom, Kruimeltje en Pietje Bel verstrippen. Eind jaren 90 keerde Matena terug op het oude nest, bij de Toonderstudio's begon hij aan de Tom Poes weekstrip die gepubliceerd zou worden in het weekblad Donald Duck. Ook werden de eerste twee Bommel reclamestrips voor Pfizer door Matena getekend.   In 2001 begint Matena aan de verstripping van Gerards Reve "De Avonden". In 2003 bekroonde de jury van de Vlaamse Gemeenschapsprijs Dick Matena met de Bronzen Adhemar voor zijn bewerking van het boek De Avonden van Gerard Reve. Inmiddels heeft Matena o.m. 'Kort Amerikaans' van Jan Wolkers te gaan bewerken tot beeldverhaal bewerkt.

 weekblad Pep
Dick Matena bij Arboris
Een Matena biografie

zondag 20 mei 2012

Phiny Dick Tentoonstelling in Museum Meermanno

Verloren gewaande tekeningen gevonden van
Marten Toonder

Tijdens het onderzoek naar archiefmateriaal van Phiny Dick werden honderden verloren gewaande tekeningen van Marten Toonder gevonden. In de mappen met werk van Phiny Dick in het archief van Uitgeverij Van Goor Zonen dat berust bij Museum Meermanno, werden tien originele gesigneerde gouaches voor o.a. de omslagen van Olli Fant uit Poppelo en Pom van de Pom-heuvel van Marten Toonder aangetroffen.


Van Phiny Dick zelf werden ook diverse originelen gevonden, o.a. gouaches van de omslagen voor Miezelientje en Wol, de beer en Pijper, het bosmannetje. Van Phiny Dick en Marten Toonder samen werden ca. 550 originele tekeningen gevonden, waarvan ongeveer de helft van Marten Toonder.






Nieuwe uitgaven


Ter gelegenheid van de tentoonstelling worden vier prentbriefkaarten uit 1941 opnieuw uitgegeven en zijn twee tentoonstellingsposters ontworpen die in de museumwinkel te koop zijn.


In augustus 2012 verschijnen bij Wbooks een rijk gexefllustreerde, biografische schets m.m.v. haar zoon Eiso Toonder en het nooit gepubliceerde Schuimpje en Zigzag. Voor dit laatste boek maakte Phiny Dick een omslag dat door Uitgeverij Van Goor Zonen in 1941 onzedelijk en te bloot werd bevonden. Het typoscript van dit boek werd aangetroffen in het archief van De Toonder Compagnie.





Museum Meermanno | Huis van het boek
www.meermanno.nl
Prinsessegracht 30, Den Haag
telefoon 070 346 27 00



Openingstijden: dinsdag t/m zondag 12.00-17.00 uur


‘Phiny Dick, schrijfster en illustratrice naast Marten Toonder’. Tentoonstelling in Museum Meermanno / Huis van het boek,
van 20 mei t/m 16 september 2012 REEDS AFGELOPEN!!!



Tentoonstelling Phiny Dick


Ter gelegenheid van het Toonder-jaar wijdt Meermanno een souterrainexpositie aan kinderboekenschrijfster en –illustratrice Phiny Dick
(1912-1990). Zij was de auteur van vele kinderboeken zoals Miezelientje en Van Pom, Verk en Fop, en strips zoals Olle Kapoen die internationaal bekend werd.


Ook werkte zij veel samen met haar man Marten Toonder. In de tentoonstelling zijn vele boeken, omslagontwerpen, originele tekeningen, manuscripten, o.a. van het nooit uitgegeven sprookje Schuimpje en Zigzag, en ook nooit eerder getoonde tekeningen van Marten Toonder voor teksten van Phiny Dick.

Eerder gepubliceerd op 20 mei 2012

donderdag 17 mei 2012

Over Piet Wijn in Ciso Stripgids

 Een artikel over Piet C. Wijn dat eind jaren 60 geschreven werd maar pas in december 1974 werd gepubliceerd in Ciso Stripgids. Het stuk was destijds verkeerd gelay-out en vrij moeilijk te volgen doordat de teksten verkeerd ingeplakt waren. ik heb dat laatste aangepast en wat nieuwe oude plaatjes ingeplakt.

vrijdag 4 mei 2012

Dodenherdenking

Friedrich Oskar Gottesmann, 19-03-1899 Wenen / 25-02-1945 Mauthausen

Friedrich (Fritz) Oskar Gottesmann vluchte begin 1938 vanuit Oosterijk naar Nederland met zijn persbureau Diana Edition International Press Service dat gespecialiseerd was in verkoop/distributie (syndication) van stripverhalen.
Hij had o.m. afnemers in Zweden, Argentinie en Tsjechoslowakije. Zijn bedrijf (Diana edition) ging samenwerken met Marten Toonder die de lopende strips voor hem voortzette.
Doordat Gottesmann later (tijdens de tweede oorlog) moest onderduiken werd Marten Toonder nadat hij eerst medefirmant was geworden, eigenaar van het bedrijf onder de afspraak dat het bedrijf na de oorlog aan Gottesmann teruggegeven zou worden in de staat van het afsluiten van de overeenkomst. Gottesmann leerde Toonder het vak van syndicator.
Gottesmann stond zo aan de basis van de Toonderstudio's en daarmee ook aan die van de Nederlandse strip.
Fritz Gottesmann werd tijdens de oorlog om zijn Joodse afkomst op 14 augustus 1944 opgepakt. Drie dagen later werd hij naar Westerbork overgebracht.
Gottesmann wordt gedeporteerd naar Auschwitz op 3 september 1944 en is op 25 februari 1945 in concentratiekamp mauthausen overleden.
Marten Toonder verteld in zijn autobiografie over Gottesmann.
Deze beperkte informatie hoort voor mij bij dodenherdenking. Ik ken geen foto van hem. Maar zijn invloed blijft onuitwisbaar.

Hier een aangrijpend filmpje, niet over Fritz Gottesmann maar over een zekere Ben Ali Libi.



 Het kan zomaar weer gebeuren.
(let maar niet op die advocaat).

donderdag 19 april 2012

Dik Bruynesteyn 7/7/1927 - 18/4/2012

Gisterenmiddag is Dik Bruynesteyn overleden. Dik is 84 jaar geworden. Hij was de geestelijke vader van o.a. de strip Appie Happie die jarenlang in veel regionale kranten stond. Een (zeker onder sportliefhebbers) populaire strip uit een tijd dat krantenstrips nog uitgeknipt en ingeplakt werden.
Een site over het werk van Bruynesteyn vind u hier: http://www.dikbruynesteyn.nl/
 

dinsdag 21 februari 2012

Digitale strips

Op deze inernetstek resideerden niet lang geleden addergebroed dat zich richtte op het zo snel mogelijk na verschijning scannen en (illegaal) downloadbaar plaatsen van stripalbums en stripbladen. Daarbij sloegen ze elkaar vol lof op elkaar schouders.Het blijft de vraag of de schobbejakken daadwerkelijk niet door hadden dat ze de stripwereld een hele slechte dienst aan het bewijzen waren.


donderdag 2 februari 2012

woonboerderij van Borge en Joanika Ring door brand verwoest

Borge en Joanika Ring zijn geen onbekende in stripland. Beiden werkten ze ooit bij de Toonderstudio's waar Borge Ring een animator van formaat was en Joanika zich bezig hield met strips (o.a. Pelle Svanlos bij Toonder geproduceerd voor het zweedse Semic). Hun samenwerking begon in de Toonderstudio's waar ze samen het tekenwerk voor de eerste pagina's van de strip Distel verzorgden. Deze strip is een favoriet van me en ik heb bijna alle afleveringen uit de Sjors (het blad waarin de strip in de jaren 70 van vorige eeuw verscheen) in een inspiratiemap bewaard. Gisteren (woensdag 1 februari 2012) is de woonboerderij van Borge en Joanika Ring, in Overangel totaal uitgebrand. Daarbij zijn waarschijnlijk vele films maar ook strips verloren gegaan (Borge had zijn studio op zolder). Al eerder ging bij de brand in de Toonderstudio (1971) veel filmmateriaal van Borge Ring verloren. Het echtpaar is gelukkig ongedeerd gebleven al kan ik me voorstellen dat de klap van het verlies van hun knusse boerderijtje en het materiaal bijzonder groot zal zijn.

zaterdag 28 januari 2012

"Terug naar Duckstad" nu te koop in de iBookstore

"Nu te koop in de iTunes bookstore"


 Sinds eind 2011 is het eerste Nederlandse stripalbum te koop in de boekenafdeling van Apples iStore: "Terug naar Duckstad", getekend en geschreven door voormalig Disney medewerker Pascal Oost. In dit verhaal krijgen bekende bewoners van Duckstad te maken met een groot probleem voor het weekblad Donald Duck. Hulp zoeken ze in een onverwachte hoek: Fokke & Sukke (bekend van de krant en tv).


Duckstad heeft de beroemde Nederlandse stripfiguren nodig om een raadsel te ontrafelen dat de Disneyfiguren en hun wekelijkse publicatievorm bedreigt. Daarnaast leren de eend en de kanarie dat bij kinderstrips andere regels gelden dan in de scherpe cartoons waarin ze zelf de hoofdrollen vervullen. Waar is oom Donald gebleven? Breken Fokke & Sukke in het geldpakhuis van Dagobert Duck in? Is er een geniale meesterschurk die aan de touwtjes trekt aan het werk? En dan is er nog de vraag: wat doet een (tot voor kort) onbekend stripkonijn, genaamd harold Hops in een verhaal met Fokke en Sukke en de bewoners van Duckstad? Onderga de gebeurtenissen en beleef de botsing van stripwerelden in: "Terug naar Duckstad", een avontuur van Harold Hops het konijn. N.B.: de characters in dit verhaal zijn niet de echte Fokke en Sukke en ook niet de echte Disneyfiguren! Ze worden nagespeeld door andere stripfiguurtjes die in een losse schetsmatige maar zeer amusante stijl uw hart zullen veroveren.


"De neefjes Hip, Hep, Hap, Hop, Hieper, Huppel en Doc maken reclame voor het boekje van oom Harold." 

 Bron Pascal Oost